Harris fotografeerde alles. “Het blijft wel goed,” verzekerde hij haar.
Emma stond in de deuropening, het gewicht van de afgelopen maanden bonkte op haar borst – elke duizeligheid, elke onbeduidende zorg, elk moment dat ze dacht dat ze gewoon ‘overwerkt’ was. Liefde had haar verblind. Vertrouwen had haar gevangen gehouden. Maar nu klonk de schreeuw om te overleven luider.
Haar telefoon trilde opnieuw. Dit keer was het een gemiste oproep. Mark. Daarna nog een berichtje:
Het is ontzettend druk op de weg. Ik ben over tien minuten thuis.
De rechercheurs wisselden gespannen blikken. “We moeten hier weg. Nu.”
Emma slikte. “Ga je hem arresteren?”
“We doen het. Vanavond nog.”
Terwijl ze haar meenamen, voelde ze een mengeling van spijt en opluchting. Ze liep niet zomaar weg van gevaar – ze liep weg van een leven dat ze veilig waande. Een leven dat ze veilig achtte.
Een paar uur later belde rechercheur Harris haar vanaf het bureau. “We hebben hem te pakken. Hij probeerde alles te ontkennen, maar het toxicologisch rapport, de geregistreerde fles en de getuige die hij vanavond heeft gesproken – alles klopt. Je bent nu veilig.”
Emma slaakte voor het eerst in maanden een zucht van verlichting. Veilig. Het woord was niet klein – het was vrijheid.
Ze keek uit het raam van haar schuilplaats, de Chicago-nacht schitterde beneden. Haar toekomst was onzeker, maar ze had hem weer in eigen handen. En dat was genoeg.
Voordat ze naar bed ging, typte ze een berichtje in de notitie-app van haar telefoon om zichzelf eraan te herinneren:
Soms is de persoon die je het meest vertrouwt juist degene die je moet vrezen. En soms betekent overleven dat je eindelijk je ogen opent.